-
Meest recente berichten
Recente reacties
jan demeulemeester op Dali in Trabelsië Sara Gevers op Antwoord Luc Dupont op br… » Blog archief op Een politiestaat graag! (En Ob… Ronse « Tim F.… op Een politiestaat graag! (En Ob… Lejo 59 op Een politiestaat graag! (En Ob… Archief
Categorieën
Meta
Les Arabische Lente – De Jasmijnrevolutie: onlineshizzle
Geplaatst in Crossmediale shizzle
Een reactie plaatsen
Antwoord Luc Dupont op brief
Op de blog van Stef Vancaeneghem reageert Luc Dupont (voor de uitzending van Terzake) op mijn brief.
Hieronder het antwoord, zoals verschenen bij Stef.
(On)veiligheid in Ronse:
LEES HIER
DE VOLLEDIGE REACTIE
VAN BURGEMEESTER DUPONT
‘NU DE MEDIASTORM WAT GAAN LIGGEN IS…’ (*)
Nu de mediastorm, die is ontstaan naar aanleiding van de publicatie van een open brief van Simon Demeulemeester in de Morgen, wat is gaan liggen (vanavond nog op Canvas in Ter Zake) en de commentaren in de kranten en de sociale media wat zijn afgenomen, is het tijd om ook mijn stem als burgermeester laten horen.
Vooreerst wil ik duidelijk stellen dat ik het debat over (on)veiligheid niet uit de weg wil gaan. Daarvoor liggen te veel Ronsenaars er wakker van. Terecht wordt de vraag gesteld wat het antwoord is van het stadsbestuur op deze problematiek.
Vele Ronsenaars voelen zich onveilig, onder meer wegens de aanwezigheid van een belangrijke groep jongeren, ook van vreemde nationaliteit en van allochtone afkomst, die rondhangen en zichtbaar aanwezig zijn in het straatbeeld, dikwijls tot laat in de avond.
Daarom heeft het stadsbestuur al sinds meer dan een jaar jongerencoaches in dienst genomen. Zij hebben de taak de jongeren op straat aan te spreken na de schooluren, ook op woensdagnamiddag en op zaterdag, ook ’s avonds (tot middernacht) en hen zo nodig aan te spreken op hun gedrag. Waar zij ernstige problemen vaststellen wordt gerapporteerd aan een team (bestaande uit een lid van de politie, de preventieambtenaar, de CLB’s, het sociaal huis, CAW, dienst diversiteit), dat zo nodig contact neemt met de ouders. De praktijk wijst uit dat het systeem werkt en dat er op die manier resultaten worden geboekt.
Terzijde kan worden opgemerkt dat de stad hoegenaamd het recht niet heeft om de inschrijving van bepaalde personen te weigeren wanneer zij zich hier wensen te vestigen. Problemen van asiel en migratie, gezinshereniging, enz… moeten in Brussel worden opgelost. Nu wordt het lokale bestuur met deze problematiek opgezadeld zonder er zelf iets te kunnen aan doen.
‘Ik benadruk dat het gaat om een kleine minderheid en dat het overgrote gedeelte van de allochtone bevolking op dit punt geen enkel probleem stelt’.
Daarnaast is er de reële onveiligheid die veroorzaakt wordt door een beperkte groep personen, voornamelijk van allochtone origine, vaak dezelfden, die zich steeds opnieuw schuldig maken aan gevallen van steaming, vandalisme, bedreigingen, vechtpartijen, enz…
Ik benadruk dat het gaat om een kleine minderheid en dat het overgrote gedeelte van de allochtone bevolking op dit punt geen enkel probleem stelt. Velen zijn uit Brussel naar hier gekomen, precies om hun kinderen een betere toekomst te geven. Meer en meer laten zij hun kinderen les volgen in het Nederlandstalig onderwijs. Door het onaanvaardbare gedrag van een beperkte groep wordt onterecht de hele allochtone gemeenschap steeds opnieuw in een slecht daglicht geplaatst. Velen van hen vragen niet liever dan dat er effectief wordt opgetreden tegen de relschoppers.
De mogelijkheden voor de stad om hier tegen op te treden zijn beperkt. In het verleden werden reeds (dure) camera’s geïnstalleerd, die ondertussen technologisch achterhaald zijn en waarvan de beeldkwaliteit te wensen overlaat, vooral ’s nachts, op een ogenblik dat de camera’s het meest nodig zijn. Het stadsbestuur heeft in de begroting 2011 kredieten ingeschreven voor de vervanging van de camera’s door een performanter systeem. Alle systemen hebben evenwel hun beperkingen. Camera’s zijn geen wondermiddel, ook al hebben ze in het verleden geholpen om bepaalde misdrijven op te lossen.
‘Vele Ronsenaars voelen zich onveilig, onder meer wegens de aanwezigheid van een belangrijke groep jongeren, ook van vreemde nationaliteit en van allochtone afkomst, die rondhangen en zichtbaar aanwezig zijn in het straatbeeld, dikwijls tot laat in de avond’.
Sinds meerdere jaren is ook tijdens de weekendnachten een derde patrouille politie-inspecteurs op de baan met als specifieke opdracht het uitgaanscentrum in de gaten te houden, zodat onmiddellijk kan worden opgetreden op het ogenblik dat zich iets voordoet.
De vraag is of meer politie de alles zaligmakende oplossing is. Ronse telt nu 58 politiemensen voor een bevolking van 25.146 inwoners of 1 per 433 inwoners. Uiteraard hangt er aan meer politiepersoneel ook een belangrijk prijskaartje. De politiebegroting beloopt nu al bijna 6.000.000 € per jaar en de jaarlijkse toelage van de stad aan de politiezone meer dan
3.600.000 €. Alleen al de bijdrage voor de pensioenen van het politiepersoneel stijgt van 27.5% nu tot 41.5% in 2016
En als er meer politie moet zijn, en in de veronderstelling dat er voldoende kandidaten zijn (wat in veel zones een probleem vormt), hoeveel extra manschappen zijn er dan nodig? En zal het probleem dan zijn opgelost? De stad is groot en de problemen kunnen zich gemakkelijk verplaatsen.
Hetzelfde geldt voor de camera’s. Moeten we onze stad vol hangen met (peperdure) camera-apparatuur (die na 3 jaar is afgeschreven)?
Nu heeft de burgemeester m.i. veel te weinig bevoegdheden om preventief op te treden. Het zou moeten mogelijk zijn relschoppers preventief van de straat te houden (bijv. straatverbod op bepaalde plaatsen tussen 23 uur ’s nachts en 6 uur ’s morgens), wat ook effectief kan worden gecontroleerd. Bij de Procureur des Konings heb ik aangedrongen opdat hij bij voorlopige of voorwaardelijke invrijheidstelling zou aandringen op straatverbod als na te leven voorwaarde. Als burgemeester heb ik daar evenwel niets in te zeggen. Het gerecht beslist uiteraard autonoom. Ik kan het alleen maar vragen omdat het m.i. een deel van de problemen zou oplossen.
Een ander probleem is dat een doelgerichte actie in feite vraagt om een degelijke analyse van de verschillende feiten die zich voordoen (wie waren de daders, op welk tijdstip, met welke middelen, wie waren de mededaders, enz…). Dit zou toelaten gericht te werken. Wat voor een analyse van de verkeersongevallen kan (dan uiteraard wel naamloos) moet volgens mij ook kunnen voor de feiten die de veiligheid van de burger rechtstreeks in het gedrang brengen. Ik heb dit ter sprake gebracht op de Zonale Veiligheidsraad (overleg met burgermeester, Procureur des Konings, Bestuurlijk Directeur coördinator, Gerechtelijk directeur en preventieambtenaar) naar aanleiding van de golf van inbraken die we in het voorjaar hebben meegemaakt. Hierbij stuiten we evenwel op het geheim van het onderzoek. Het onderzoek is een zaak van het gerecht en niet van het stadsbestuur. Namen van daders of verdachten worden ook aan de burgemeester niet vrijgegeven, wat een gericht (preventief) optreden uiteraard bemoeilijkt.
‘In ieder geval wil ik beklemtonen dat onze politiemensen degelijk werk verrichten. Regelmatig worden verdachten opgepakt en leidt het onderzoek ook tot effectieve resultaten.’
Als gevolg van het geheim van het onderzoek moet ik ook steeds opnieuw mensen teleur stellen die mij naar aanleiding van bepaalde feiten vragen of getuige X of Y werd verhoord, wat de resultaten waren van het onderzoek, of de zaak geseponeerd is of nog loopt, enz… Naar aanleiding van strafbare feiten die zich voordeden in de nacht van vrijdag 08 op zaterdag 09 september 2011 in de omgeving van de Grote Markt, feiten die de publieke opinie beroerden, werden door de lokale politie 2 processen-verbaal opgesteld. Op 15/07 heb ik aan de Procureur des Konings gevraagd of ik toelating kon krijgen tot het nemen van een inzage van die dossiers. Wat ik vraag is ongebruikelijk, maar m.i. noodzakelijk om gericht te kunnen optreden ter voorkoming van nieuwe feiten.
In ieder geval wil ik beklemtonen dat onze politiemensen degelijk werk verrichten. Regelmatig worden verdachten opgepakt en leidt het onderzoek ook tot effectieve resultaten.
Het probleem dat zich stelt is dat het onderzoek meestal veel tijd in beslag neemt indien er geen betrapping op heterdaad of geen bekentenissen zijn. In dat geval moet het onderzoek worden gevoerd via eventuele getuigen (die dikwijls tegenstrijdig zijn) en moeten alle elementen of sporen worden onderzocht.
Nadien wordt de zaak voor de rechtbank gebracht en volgt de bestraffing, die de rechter uiteraard vrij bepaalt rekening houdende met de zwaarte van de feiten, de persoon van de dader, het gevaar op recidive, enz…
De straf die wordt uitgesproken zou ook moeten worden uitgevoerd. Ook daar knelt het schoentje. Wegens overvolle gevangenissen worden gevangenisstraffen tot 6 maand niet uitgevoerd.
De lange duur van het onderzoek, het feit dat de bestraffing pas veel later volgt en dat de uitvoering van de straf te wensen overlaat creëert bij de daders een gevoel van straffeloosheid en werkt demotiverend bij de politie.
De veiligheidsketting (preventie – opsporing – bestraffing – strafuitvoering) is maar zo sterk als haar zwakste schakel.
‘Holle slogans, mediatisering van de problematiek en politieke recuperatie van het veiligheidsprobleem laten we daarbij best achterwege.‘
Dit alles belet niet dat het de plicht is van de overheid te zorgen voor de veiligheid van haar inwoners. Nog meer dan in het verleden moeten we daar werk van maken. Zeer binnenkort treedt de nieuwe zonechef in dienst. Ik zal prioritair met hem bekijken welke maatregelen kunnen worden genomen om het straatgeweld in te dijken en om er voor te zorgen dat men in Ronse veilig kan uitgaan. Alle mogelijke maatregelen zullen we oplijsten, om nadien in samenspraak met het College van Burgemeester en Schepenen, de Zonale Veiligheidsraad, de Preventieraad en de Gemeenteraad de juiste keuzes te maken.
Holle slogans, mediatisering van de problematiek en politieke recuperatie van het veiligheidsprobleem laten we daarbij best achterwege.
Vele reacties bewijzen dat over deze problematiek ook op een genuanceerde manier kan worden gedebatteerd.
Luc DUPONT
Burgemeester Ronse
Geplaatst in Crossmediale shizzle
1 reactie
Een politiestaat graag! (En Obelix for president!)
Meneer de burgemeester
Luc Dupont
We hebben elkaar al een paar keer ontmoet. U was dan burgemeester, ik Groepsleider van de Scouts van Ronse. U bent me niet tegengevallen, toen. Uw toespraak op de tentoonstelling voor onze 90-jarige verjaardag was enthousiast en bevlogen. Een oud-scout aan het woord, dat doet altijd plezier.
Op een andere gelegenheid was dat wel anders. U was toen ook burgemeester, toeval kan het niet zijn, ik nog steeds Groepsleider. Maar dat had niets te maken met onze ontmoeting. Ik was er als student Journalistiek en interviewde u. Over Ronse. U was welbespraakt, beleefd en had tijd voor mij. U wist waar u het over had. Maar toch is van dat twee uur durende gesprek maar één zin echt blijven hangen: ‘We willen er toch geen politiestaat van maken?’ Die ‘er’, dat sloeg op Ronse.
Ik weet nog dat ik er de artikelkop van gemaakt heb. Dat ‘pakt’, weet u. Want in Ronse, meneer de burgemeester, zouden de mensen, duvels als de Ronsenaars zijn, wel eens ‘jawel’ durven zeggen. Ik heb het dan niet over die dertig procent die ooit op Erik Tack en de zijnen, nu ja, vooral op Tack, gestemd hebben. Van die mensen die maar wat graag overal meer uniformen, blauw of donkerder, zouden zien. Graag met matrak, menotten en pepperspray erbij. Want zo zijn sommige mensen nu eenmaal.
Premier Obelix
Maar er zijn er ook andere, zelfs bij die 30 procent. Ik, bijvoorbeeld. Nochtans een progressief van het zuiverste water. Niet echt een liefhebber van uniformen (of het zouden scoutsuniformen moeten zijn). Neen, ik geloof in vrede, vlinders en madeliefjes. Had ik het voor het zeggen, Obelix werd premier, Guust Flater zijn vicepremier. En de smurfen bevolkten hun kabinetten. Dat is het blauw dat ik van uit het diepst van mijn hart op straat wil zien.
Maar toch, meneer de burgemeester, wilde ik toen antwoorden met ‘jawel’ – dus vóór geüniformeerd blauw. Ik had er zelfs willen aan toevoegen: ‘En maak er een beetje mee voort ook, dan kan ik vanavond nog eens op mijn gemak uitgaan!’ Want dat doe ik al een tijdje niet meer, meneer de burgemeester, uitgaan in uw stad. Niet dat er niet genoeg te doen is, neen. Dat valt goed mee. Maar ’t is de veiligheid, meneer.
Hogerlucht
Toen ik mijn ‘100 dagen’ vierde, was ik al om 1u thuis. Niet omdat ik te dronken was of omdat het feestje mij niet aanstond. Neen, omdat ik mijzelf een gevangenisstraf wou besparen. U moet weten dat op die fuif in het jeugdhuis – voelt u hem komen? – een stuk crapuul het nodig vond een vriendin van mij te duwen. Hard te duwen. Eerder op de avond had die rotzak met zijn vrienden al rottigheid uitgehaald. Ze waren door de ramen naar binnen gekomen, want betalen is voor sukkels.
Ik heb mijn trots, meneer de burgemeester, en dat hebben mijn vrienden ook. En we waren 18, of moesten dat worden. Meer spieren dan verstand, dus. In een normale situatie krijgt een zak die een meisje duwt de wind van voren. En als ik heel eerlijk mag zijn en de sociaal-darwinist in mij loslaat: een ram op zijn kop zou ook op zijn plaats zijn. Want dat doe je niet, meisjes duwen, zo hard dat ze struikelen.
Maar ik durfde dat stuk crapuul geen ram verkopen, of zelfs maar de wind van voren geven. Want dan belandde ik sowieso op Hogerlucht. Met minder tanden dan ervoor, maar wel wat kneuzingen rijker. Die gasten zijn nooit alleen, ziet u. Of, erger, ik zou die nietsnut een oog uitslaan. Dan belandde ik onder dezelfde condities op het spoed, maar kon hij zowel langs de kassa van den dop blijven passeren, als langs de spaarpot die mijn ouders bij hun verzekeraar hadden aangelegd. Ik heb iets te verliezen, ziet u, hij had dat niet.
Mooie Grote Markt, jammer van de veldslagen
Enkele jaren verder studeer ik al een tijdje in Gent. Ik ging toen zelden tot nooit uit in Ronse. Want ik werd gek van die agressieve sfeer die er hangt. Ik werd er gek van te moeten buigen voor crapuul dat in hordes door de stad trekt. Leeglopers, broekventjes, 15 kilo lichter dan ik. Van die gastjes die ik als scoutsleider per drie in het water smeet bij een of ander spel. Maar niet zo bij deze jongens. En dat werd ik snel kotsbeu, meneer de burgemeester. Want ik ben nogal gehecht aan mijn neus, moet u weten. En mijn oogkassen houd ik ook liever heel.
Terugkeren naar Ronse, vroegen mijn vriendin en ik ons een tijdje geleden af? Nooit van ons leven, meneer de burgemeester. Ook al ben ik zot op Ronse, vind ik het een fascinerend dorpstadje, ook al ziet de Grote Markt er beter uit dan vroeger: ons schrijft u de komende jaren niet in uw bevolkingsregister in. Maar wij hebben geen zin om gepakt te worden door zo’n bende als die die het gemunt heeft op mensen met een IPhone. Kent u dat verhaal, trouwens? Ik weet niet welke verhalen het van de straat tot op uw bureau halen?
Bosnië in Ronse
Het gaat dat er een bende op pad is die in cafés mensen met een IPhone viseren om hen bij het buitengaan te bestelen. Een van hun slachtoffers kreeg het onzalige idee achter die bende aan te gaan. Toen hij het drietal gevolgd was van op de Markt, door de Peperstraat, tot op de Rooseveltplaats, bleek de bende plots 15 man sterk te zijn. Stel je voor. En plots werd hij bewusteloos geslagen. En gestampt, en nog eens geslagen. U weet hoe dat gaat: sommige mensen, van dat type dat niets te verliezen heeft, hebben zichzelf moeilijk in de hand. Maar echt vreselijk moet het nog worden. Want die jongen was gevolgd door een vriend.
Maar die werd niet in elkaar geslagen. Een zucht van opluchting? Hou die maar in. Hem werd vriendelijk verzocht rustig terug te gaan, dan zou hem niets gebeuren. Waarop hij achter de hoek moest gaan staan luisteren hoe zijn vriend (die dan al bewusteloos was, weet u nog) verder de stront uit zijn lijf gestampt werd. Excuseert u mij die uitdrukking, maar ik ken er geen betere.
In die situatie, meneer de burgemeester, zou ik sterven van schaamte en frustratie.
Mij lijkt dit tafereel uit het Bosnië van de jaren ’90 geplukt. Net als de anekdote van een vriendin die net aan een groepsverkrachting ontsnapte. Of die over een vriend die drie weken met een rietje moest eten, want kauwen met een stukgeslagen kaak schijnt pijnlijk te zijn. Enfin, u begrijpt waar ik naartoe wil, meneer de burgemeester: veiligheid, het thema van ons nummer. Dat is er niet in Ronse. Laat staan een veiligheidsgevoel.
Hoeveel agenten, zei u?
Let wel, meneer de burgemeester, ik zong al vaak de lof van uw bestuur. Niet van mijn gewoonte, mijn beroep verbiedt me politici te adoreren. En: als lokaal politicus hebt u heel weinig impact op de oorzaken van die problemen. En ja, ik scherm met anekdotes die je overal kan horen.
Maar toch: ik vroeg u hoeveel agenten er tijdens het weekend in Ronse op patrouille zijn. Drie patrouilles, zei u. Dat moeten zo’n 12 man zijn, vroeg ik. Neen, zei u: zes, want drie patrouilles van twee man. En u noemde dat ‘verhoogde aanwezigheid’.
Dat maakt mij kwaad, meneer de burgemeester. Een kind ziet dat dat te weinig is. Want het zijn vaak nog-bijna-kinderen die uw politie vernedert en beledigt. Dat zorgt voor frustratie, een venijnige emotie, en dat maakt uw politiekorps zwak. Hen zowel kwalitatief als kwantitatief versterken: daar zou u veel Ronsenaars blij mee maken. (Het zijn kiezingen in 2012, hé meneer de burgemeester. Kzegge dat en kzegge niet…)
Ik ben nog steeds kwaad, meneer de burgemeester, om uw fatalistische antwoord. Ik wil die woede kwijt en wil begrijpen wat er gebeurt. Ik wil u een kans geven dat uit te leggen en vraag het daarom op de man af, Den Belleman (of ik, op deze bescheiden blog) zal graag uw antwoord publiceren:
Meneer de burgemeester,
wat kan u doen aan die degoutante geweldcultuur?
(Dit is een licht aangepaste versie van de tekst die eerder in Den Belleman verscheen)
Geplaatst in Crossmediale shizzle
17 reacties
Dali in Trabelsië
“Je zal zien, Simon, alles is veranderd in Tunesië.”, dat zei mijn vader een paar weken terug. Hij was getuige van het ontploffen van de Arabische Lente. Weken voor onze journaals voorzichtig over de onlusten berichtten, schreeuwden hij en velen anderen de schreeuw der stilte. Want wie niet zeker is dat hij gehoord zal worden, houdt beter zijn mond. Je zou wel eens tegen een gepantserd hand kunnen lopen.
Vandaag praat iedereen honderduit in Tunesië. Elke dag is hier De Zevende Dag. De debatten beheersen de televisie. Op straat gaan gesprekken meteen over politiek. Over die ‘salaud’ van een Ben Ali en erger nog: zijn compleet geflipte schoonfamilie Trabelsi. Hun impact op Tunesië was (is) onwaarschijnlijk groot.
Couscouskraam
Vraag dat maar aan Mohammed Ali – Dali voor de vrienden. 28 is hij en kok. Een goede ook, denk ik. Hij praat vol vuur over zijn keuken, jaagt, vist en kent alle paddenstoelen van Tunesië. Daarom dat hij zich ergert aan de geïmporteerde champignons de Paris: “Nous avons tout ici!”. Hij barst van de ambitie, presenteerde een kookprogramma op televisie. Maar hij moet het rooien met arbeidscontracten van twee weken.
Nochtans loopt hij al lang rond met een goed idee. In Tunesië bestaan friet-, hamburger- of braadworstkramen voorlopig alleen maar in Dali’s hoofd. Om een Tunesische variant op onze snackkramen naar voetbalwedstrijden en festivals te krijgen, moet Dali een vergunning hebben. Dus stelt hij een businessplan op. Hij zoekt een tweedehands busje om mee te beginnen. Een strak plan.
Universitaire fastfood
Maar niet strak genoeg. Dali botst op zijn land. Of toch op het systeem dat zijn land in de greep houdt. Dali moet aan de bevoegde functionaris zes keer uitleggen wat hij wil doen: kwalitatieve fastfood, spic and span verpakt, rondgereden in een mooi busje. Koude en warme gerechten. “Je wil dus straatventer worden?”, vraagt de functionaris. Dali wordt zot.
“En je hebt geen universitair diploma?”, werpt de functionaris op.
Om een fastfoodketentje te beginnen?
“En dat busje, waarom koop je geen nieuw? Je moet een nieuw kopen.”, blaast de functionaris.
Klein beginnen meneer, niet al te zot doen?
Trabelsi says no
Tunesië is een jong land. Haar jeugd wil iets doen. Ze hebben ideeën en ook poten aan hun lijf. Dali droomt van net dezelfde dingen als de jeugd aan de overkant van de Middellandse Zee: werken om iets te betekenen of studeren om iets te leren.
Maar Tunesië was tot voor kort Trabelsië: een land waar de Trabelsi’s gritsten en graaiden, want wat mijn is dijn is. Elk goed idee werd afgeblokt door een loodzware administratie waar Kafka van zou gaan blozen. Hier een commissie, daar wat smeergeld. Haal dit formulier, aan een loket dat gesloten blijkt te zijn. U heeft deze papieren nodig voor uw vergunning, mevrouw. En waar kan ik dat krijgen? Hier, normaal, maar nu zijn ze op. Trabelsië kleineerde, Trabelsië vernielde de ambitie van haar volk.
Of erger: een project krijgt een njet omdat de Trabelsi’s het willen overnemen. En dus was alles van de Trabelsi’s: internet, gas en water, uiteraard. Maar ook cafés en hotels. Tot zelfs de schooluniformen van de leerlingen. Zelfs die 20 dinar (of 10 euro) per stuk moest in hun zak belanden.
Dali zag appelen hangen, als meloenen zo groot
En terwijl Dali zijn idee in lucht ziet opgaan, omdat zijn land hem niet begrijpt en daar ook geen ene moeite voor deed, belandde hij als kok op de feestjes van de president en zijn gevolg. “Appels, zo groot als meloenen heb ik er gezien!” En homo’s, want de president vermaakte er zich graag mee. “Soms namen ze onze gsm’s af, zodat we zeker geen foto’s konden nemen.” Dali kookte in de Middeleeuwen, voor een vorst die twee voorproevers had. Voor crapuul dat zichzelf uitnodigde op diplomatieke etentjes. “De Franse ambassadeur werd in zijn gesprekken onderbroken door de schoonbroer van de president: “Breng mij een cola!”.” Reactie van het land van de mensenrechten? Zwijgen dat ze zweten. De internationale politiek in een notendop.
EU: binnenkoppen!
Ben Ali is nu weg. De Trabelsi’s ook. Maar Tunesië heeft nog steeds haar jeugd die droomt. En die jeugd botst nog steeds op haar land. De mentaliteit is nog niet veranderd. Dali wordt gek van het onbegrip. Voor ambitieuze jonge mensen als Dali is Tunesië verstikkend. Al wat ze nodig hebben zijn de middelen om die dromen uit te tekenen.
En wie middelen zegt in de internationale politiek, zegt Europa. Alan B’stard wist het al: “De Europese Unie is een comateuze kip, die ligt te wachten om geplukt te worden.” Als Europa nu slim is, investeert het in Dali. In fastfoodketentjes, in afvalverwerking, in onderwijs en ingenieurs. Noord-Afrika heeft potentieel (zelf in de vieze zin van het woord: wat een markt om aan te verkopen! Henry Ford, iemand?).
Baardapen met te korte broeken
En dat potentieel is te groot, te mooi en te waardevol om aan de baardapen over te laten. Want de fundamentalisten met hun te korte broeken kruipen uit hun holen, ook in Tunesië, waar ze nog veel tegenkanting krijgen van het volk. Maar het volk is maar het volk. Wiens brood men eet, diens woord men (s)preekt.
Europa, het oude continent. Het Avondland, of was het het land waarover de avond valt, krijgt een kans om haar waarden te delen. Door nu op gelijke voet met de Arabische wereld te gaan onderhandelen, te investeren in mensen en toekomst, kan Europa bakken goodwill creëren voor haar soft power. En de VS het nakijken geven. Want een toekomst, dat is het beste wapen tegen fundamentalisme.
Geplaatst in Crossmediale shizzle
2 reacties
Dat de binnenkant steiler, maar korter is. En dat hij die laatste 100 meter wel zou meerijden.
Daan reed mee naar de scouts. Daan zorgde voor mij en mijn broer. Ploegend op Broeke zei hij: “De binnenkant is steiler, maar korter”. De korte pijn van Broeke? Of de uitgestelde uitputting van de Hogerlucht? Dat vroeg hij. Ik dacht dat hij een tovertruc had. Of toch tenminste een binnenbaantje kende, dat niet zo bergop ging. Uitbollend, en bijna aan het kruispunt waar hij links moest en ik rechtdoor, vroeg hij: “Ben je zeker dat ik niet mee moet tot thuis?”
De afstand in meter, zo’n 100 meter, is miniem. Die 100 meter bezorgdheid, vond ik immens. Hij verdiende er eeuwige genegenheid mee.
Hij liep van bij zijn thuis, naar mijn huis, en dan helemaal achterom. Drie keer na elkaar. En soms liep hij zelfs naar de scouts! In Ronse! Ik vond Daan geweldig. Wie kon in godsnaam zo goed lopen? Zijn mountainbike was zwaar en misschien wat krakkemikkig, met die zwarte plakband rond het stuur.
Daan was evenveel Daantje als Daan. Daan was buurjongen, en gaf Aaron en mij het gevoel ook een beetje neef te zijn. Daan vocht en Daan droeg.
Ik hoop dat Daan nu niet meer hoeft te ploegen, dat hij kan uitbollen.
Omdat Daan voor mij De Jongen Met De Zwarte Fiets blijft – super ciclista – en omdat hij een diepe genegenheid oproept, wil ik aan hem een heldendicht opdragen. Gisteren van Guido Belcanto voor Marco Pantani, vandaag voor Daan van Simon:
Geplaatst in Crossmediale shizzle
3 reacties
Bart De Wever in Cuba
Bart De Wever heeft het in zijn column van dinsdag 11 januari over Revolution Rock – het rockfestival dat Steve Stevaert en Chokri Mahassine in Cuba willen organiseren. Daar heeft hij bedenkingen bij (en ik ook!). Want Cuba is niet de meest vrije natie ter wereld. En toch willen we, volgens Bart De Wever, niets slecht horen over “de Club Med-versie van de DDR”. Het embargo zou een eeuwig excuus zijn.
Tot hier rammelt zijn redenering niet al te veel: er moet geen onzin verteld worden over de ijzeren hand van de Castros. Maar anderzijds is het intellectueel oneerlijk om het embargo louter af te doen als excuus. Castro was geen marxist, Castro is dat geworden. Omdat de VS geen eigengereide buren wou in haar achtertuin. Daarbij komen we uit op een zinnetje waarmee Bart De Wever serieus uit de bocht gaat: ‘Men kan zich niet voorstellen dat de actieve steun aan zo’n regime politiek zou overleven mocht de dictator van rechtse signatuur zijn, maar dit terzijde.’
Meent hij dat echt? Alsof er een wijdverspreide en wereldwijde consensus is om Cuba te steunen. Meer zelfs, alsof diezelfde consensus opgaat voor links geïnspireerde dictaturen. Het palmares van de VS spreekt dat toch luidkeels tegen, zowel in de geschiedenis (extreemrechtse reactionaire regimes in Zuid-Amerika, meneer De Wever?) als vandaag (Noord-Korea wordt niet echt gesteund, dacht ik.) De dictaturen die gesteund worden, zijn zelden zo links georiënteerd. De weinige dictaturen die wel oprechte tegenstand krijgen van het Westen, onder leiding van de VS, zijn net die dictaturen die het kapitalisme in vraag stellen, zoals Wit-Rusland en Iran. Bart De Wever mag dan wel een punt hebben als hij het door links verdedigde politiek correct denken in Vlaanderen aanvalt, hij gaat erover door te denken dat de wereld Vlaanderen is. Want daar heerst de rechtse kapitalistische idee.
Geplaatst in Crossmediale shizzle
Een reactie plaatsen
Scoop: interview Griet De Craen en Johny Vansevenant (VRT)
Voor Scoop – het mediatijdschrift van de Arteveldehogeschool – trokken Marlies Verhelst en ik naar de Reyerslaan. Marlies zocht en vond Griet De Craen, een jonge wolvin die zich in de kuiten van het nieuws aan het vastbijten is. Ook mijn zoeken werd met vinden beloond: ik mocht Johny Vansevenant een uur lang uitvragen over het mooiste beroep van de wereld. Marlies – u had het al door – nam het aanstormend talent voor haar rekening, ik de ervaring. Verliest u voor een keer geen tijd op het web en lees eens iets interessants!
Johny Vansevenant
– nieuwsjager bij de VRT:
“De nieuwe generatie moet erop letten dat ze niet misbruikt wordt”
Johny Vansevenant: een naam als een klok. Elke man en vrouw in de straat kent die naam, maar niemand weet precies wie hij is. Niet zo in de journalistieke wereld, waar hij een instituut is in de politieke verslaggeving. Scoop zocht en vond hoe Johny Vansevenant, dé Johny Vansevenant werd. Blijkbaar niet zonder zelfrelativering: “Van zodra je denkt een autoriteit te zijn, ben je autoriteit af.”
Scoop: Hoe begon het voor u?
Johny Vansevenant: “Ik studeerde Germaanse in Gent, in de jaren ’70. Dat waren progressieve tijden. Politiek was toen niet technocratisch en leek erg maakbaar. Dat trok mij wel aan. Ik was niet iemand die zich politiek uitte, ik observeerde liever. Zo begon ik aan journalistiek te denken. Maar ik dacht er vooral aan om leraar te worden. Er was veel academische werkloosheid toen, dus ik deed eerst wat interims. Onder andere als bestuurssecretaris voor Binnenlandse zaken: ik gaf Nederlands aan Franstalige ambtenaren. Tijdens mijn studies dacht ik dus al aan het journalistenexamen. We spraken daar ook wel over, met Paul D’Hoore bijvoorbeeld. Die was twee jaar ouder dan mij en studeerde ook Germaanse.”
Scoop: U dacht dan wel niet meteen aan journalistiek , maar u voelde zich wel altijd een observator?
Vansevenant: “Inderdaad, want ik had snel door dat de waarheid nooit aan een kant is. Iedereen heeft altijd een beetje gelijk. Daarom is het interessanter om aan de zijlijn te staan en te aanschouwen. In mijn politieke analyses probeer ik ook nooit te oordelen. Mij zal je niet gauw met het vingertje zien staan zwaaien. Ik wil vooral uitleggen welke redenering achter een politieke actie zit, op welke doelgroep mikt die? Wie wil wat verkrijgen?”
Scoop: Naar wie keek u op?
Vansevenant: “Aangezien ik een enorme wielerliefhebber ben: Jan Wauters en Marc Stassijns, twee wielerjournalisten van de radio. De een zat op de motor, de andere deed de commentaren. Die waren zo goed op elkaar ingespeeld, dat was zo sterk. Ik zette zelfs geregeld de klank van de televisie af om naar hen te luisteren. Eigenlijk was ik graag wielerjournalist geworden, maar door die jaren aan de universiteit had ik de indruk dat sport futiel was. De maatschappij kneden, een richting uitzetten: dat leek mij belangrijker dan met een fietsje rijden. Dat ik dat nooit gerealiseerd heb, heb ik dan een beetje goedgemaakt met mijn boek over Eddy Merckx: ‘De mannen achter Merckx’. Al die belangrijke ploegmaats van Merckx mogen meemaken, vond ik fantastisch.”
“Ik zal altijd voor het nieuws kiezen”
Scoop: En voor de politieke journalistiek?
Vansevenant: “Bij de omroep had je Guy Polspoel, die in geen tijd kon synthetiseren en ook glasheldere vragen kon stellen. Bij de radio spitste ik altijd mijn oren als er een interview van Daniel Buyle aangekondigd werd. Dirk Tieleman vond ik ook prachtig. En het grote verbale talent van Siegfried Bracke. Ik zag vooral talent bij de radio en televisie. Dat verbale, het mooi kunnen uitleggen, trok mij enorm aan. Radio of televisie leek mij een evidente keuze.”
Scoop: De schrijvende pers heeft u nooit geïnteresseerd?
Vansevenant: “Neen, want als germanist had je het voordeel van de taal. De krantenjournalisten van toen klonken niet echt goed. Ik wou dat voordeel behouden. Het leek mij ook dat je op de eerste rij staat als je bij de openbare omroep werkt. Zeker bij de radio, ik heb al veel zaken als eerste aangekondigd. Krantenjournalisten zitten meer achter hun bureau, maar zij kunnen wel dieper gaan. Wij hebben geen plaats voor lange analyses met een historische context, zoals Walter Pauli ze maakt.”
Scoop: Mist u dat niet?
Vansevenant: “Neen, want die snelheid geeft een enorme kick. Ik zal altijd voor het nieuws kiezen. Maar wij geven ook wel duiding, meestal meteen na het nieuws. Want daar heb je maar een minuutje. Bij de duiding heb je dan zes tot zeven minuten, gelardeerd met geluidsfragmenten. Die combinatie werkt perfect.”
“In het begin noemden we onszelf smalend het voorleesbureau van Belga”
Scoop: Strookten uw verwachtingen met wat u moest doen?
Vansevenant: “Neen, toen ik in ’88 begon bij de BRT las ik samen met Mark Ooms het nieuws in. Dat vervulde mijn verwachtingen niet. Ik had ook meer binnenland verwacht. Het accent van het nieuws lag toen op het buitenland. Er was nog geen concurrentie van VTM, dus de BRT kon zich dat permitteren. Maar in ’89 sloegen VTM en ons eigen televisienieuws gaten in onze redactie: zij plukten veel goede radiojournalisten weg. Siegfried gaf me toen de tip om eindredacteur van het ochtendnieuws te worden, omdat ik er veel zou leren. Samen met Lieven Verstraeten heb ik dan de overstap gemaakt. Wij maakten samen het ochtendnieuws en staken daar veel binnenlands nieuws in, ook onder druk van VTM. Het voelde echt alsof we greep hadden op de feiten: we speelden kort op de bal, we belden mensen uit hun bed en staken dat in de uitzending… Dat we niet langer ‘het voorleesbureau van Belga’ waren, zoals we dat soms smalend noemden, deed enorm veel plezier. Wij waren een goed duo en hadden veel bewegingsruimte door die leegloop. Maar we werden er ook door uit elkaar gehaald: we moesten de nieuwe generatie opleiden. Terwijl ik zelf nog maar twee jaar journalist was (lacht)! Dat was eigenlijk te gek om los te lopen.”
Scoop: Bent u meteen begonnen bij de BRT?
Vansevant: “Neen, ik ben er pas in ’88 terechtgekomen. In het begin van de jaren ’80 was ik geslaagd voor het journalistenexamen van Het Volk. Daar mocht ik bijlagen schrijven over de buitenlandse politiek. Daarna kreeg ik een baan aangeboden: hoofd van een regionaal correspondentenbureau in Kortrijk. Maar ik zag het wat groter en wilde dat niet. Omdat ze mij niet kwijt wilden, stelden ze mij voor om bijlagen over internationale politiek te schrijven. Ik mocht dat combineren met mijn beroep als leraar. Ze bezorgden mij alle Guardians en ik kreeg twee pagina’s in de krant. Dat was een goede voorbereiding op het journalistenexamen van de BRT. In ’83 deed ik daar aan mee, maar ik zakte voor de test Duits. Daar was ik erg gefrustreerd over. Maar bij Omroep West-Vlaanderen hielden ze toen de net niet geslaagden van die examens in de gaten. Ik mocht daar beginnen, ook in combinatie met lesgeven. Daar kreeg ik het interviewen onder de knie, dat was een goede les. In ’87 deed ik opnieuw mee aan het BRT-examen. Toen was ik wel geslaagd en in januari ’88 begon ik.”
“Onze generatie kreeg in twee jaar tijd
alles in handen”
Scoop: Hoe stapte u dan over van het ochtendnieuws naar politiek verslaggever?
Vansevenant: “Als politiek verslaggever ben ik eigenlijk de opvolger van Siegfried. Tegen hem had ik al mijn belangstelling voor binnenlandse politiek getoond. Ik combineerde dat met het ochtendnieuws: ik ging soms naar congressen van politieke partijen. Als Siegfried dan eens geen zin had, stuurde hij me daar op af. Dat waren lange dagen, maar zo kreeg ik het wel in de vingers. Toen Siegfried dan ook weggehaald werd naar de televisie, heeft hij mij aangeduid als opvolger. Zoals je ziet heb ik heel snel kunnen doen wat ik wou: onze generatie kreeg in twee jaar tijd alles in handen. Dankzij de gaten die VTM en het televisienieuws sloegen. Uiteraard, ik zeg niet dat ik toen een goede verslaggever was. Maar door die lange staat van dienst kan ik nu wel de zaken goed inschatten en relativeren. Toen paars aan de macht kwam en CD&V oppositie voerde, deed ik een interview met hun fractieleider in de kamer, Marc Van Peel. Hij gaf kritiek, maar ik kon dat door die ervaring een paar keer weerleggen. Ik leerde ook het belang van oppositiepartijen inschatten. Die spelen een rol: je mag ervan uitgaan dat 90% van wat ze zeggen zever is. Voor die overige 10% hebben we ze wel nodig, uiteraard. Die relativering is het voordeel van al die jaren op de teller. Je mag uiteraard niet te veel relativeren.”
Scoop: Wordt u nooit wanhopig door dat oppervlakkige?
Vansevenant: “De meeste politici zijn intelligente mensen die doen wat ze kunnen. Daar ga ik van uit. Soms sta ik vol bewondering te luisteren naar wat ze uit hun mouw schudden. Ik erken ook dat de meesten slimmer zijn dan ik. Ze oppervlakkig noemen, zou ik dus onrespectvol vinden. Maar politici beseffen soms niet dat er niets gebeurt als iedereen zich aan zijn beloftes houdt. De mensen stemmen radicaler en eisen ook meer van politici. En er is de oppositie die de nadruk legt op wat niet gerealiseerd wordt. Onder die druk is het moeilijk om genoegen te nemen met de inwilliging van slechts de helft van hun beloftes. Dat drijft mij soms wel tot wanhoop, want daardoor mislukt het al sinds 2007.”
“Wat zijn die vriendschappen met politici waard?”
Scoop: Heeft u nooit zin om er zelf in te stappen?
Vansevenant: “Neen, want zo zit ik niet in elkaar. Ik blijf liever aan de zijlijn staan omdat ik denk dat ik er de talenten niet voor heb. Om succesvol te zijn als politicus moet je charisma hebben: als je ergens binnenstapt, moet je de ruimte vullen en door iedereen gezien zijn. Bij mij is het net omgekeerd: ik heb alles gezien als ik ergens binnenkom. Mensen zeggen soms zaken waar ik bij sta, zonder dat ze dat doorhebben. De volksvriend zit niet in mij. Op de redactie zeiden we soms dat Siegfried dat wel heeft. Hij moest zich altijd inhouden om zijn gedacht te zeggen, ik niet. Ik heb hier nog niet veel mijn gedacht gezegd.”
Scoop: Ontstaan er vriendschappen met politici?
Vansevenant: “Met sommige mensen klikt het, met anderen niet. Dat is zoals in het echte leven. Bij sommige politici voel je dat ze het goed menen. Soms is dat gevoel heel tegenstrijdig: dan ontmoet je heel aangename mensen, die dan in partijen zitten waar je zelfs niet aan denkt voor te stemmen. Maar voor mij maakt dat niet echt uit, want ik ben niet de journalist die met het vingertje staat te zwaaien. De feiten en de beweegredenen, daar hou ik mij aan.”
Scoop: Heeft u vrienden in de politiek?
Vansevenant: “Goh, ik ga er van uit dat er niet veel van zal overschieten als ik uit de verslaggeving stap. Er zijn wel mensen waar ik hartelijk mee omga, maar wat zijn die vriendschappen waard? Het zijn eerder goede werkrelaties… (Denkt na) Er zijn wel een paar mensen… Louis Tobback bijvoorbeeld, heel aangenaam om mee te gaan eten: die heeft altijd analyses klaar. Herman Van Rompuy is daar ook heel sterk in. De maaltijden onder premier Verhostadt waren ook altijd zeer aangenaam. Maar ja, Tobback zal al heel oud zijn als ik stop en Van Rompuy zit in Europa.”
“Journalisten moeten nederig zijn: ik geloof niet dat je als journalist veel kan beïnvloeden”
Scoop: Speelt een goede relatie of bewondering u parten bij uw verslaggeving?
Vansevenant: “Neen, want ik veroordeel niet. En aangezien ik meestal informatieve interviews doe en quotes sprokkel, stelt dat probleem zich niet.”
Scoop: En een mindere relatie? Zou u politici uit het nieuws weren?
Vansevenant: “Neen, wie het ook aanbiedt: nieuws is nieuws. Als jij die vervelende persoon uit het nieuws houdt, brengt iemand anders hem wel. Ik geloof niet dat je dat als journalist echt kan beïnvloeden: er zijn de andere media, je collega’s, … Het Vlaams Blok/Belang bewijst ook de beperkte invloed van de journalist: er werd gezegd dat journalisten niets van hen moesten hebben. Dan zou je denken dat ze de ene na de andere verkiezingsnederlaag lijden. Het tegendeel is waar. Net nu ze minder aandacht krijgen, gaan ze achteruit.”
Scoop: Persfotograaf Filip Claus gelooft dat je als journalist meer invloed kan hebben dan als politicus. U dus niet?
Vansevenant: “Journalisten moeten nederig zijn: je mag nooit denken dat je veel invloed hebt. De tijdsgeest manipuleren is heel moeilijk, er spelen zoveel factoren waar je als journalist geen greep op hebt. Uiteraard, een openbare omroep is wat dat betreft gehandicapt. Wij worden verondersteld neutraal te zijn. Ik probeer mijn analyses zo te maken dat je niet weet wat ik politiek denk. Commentaarschrijvers, zoals Yves Desmet en Luc Van der Kelen, kan je gemakkelijker aan een idee of zelfs partij linken. Als zij iets goed verwoorden en de vinger op de wond leggen, dan hebben zij wel invloed. Als openbare omroep kan je gaan kruistocht voeren of steeds op dezelfde nagel slaan. Maar ik mis dat ook niet. Zoals ik al zei, sta ik graag aan de zijlijn.”
“Valkuilen voor beginners?
Doen wat je niet graag doet”
Scoop: Worden journalisten gebruikt door politici?
Vansevenant: “Absoluut, maar omgekeerd ook: iedereen gebruikt iedereen. Wij willen informatie plukken van hen en zij proberen ons de informatie te geven die gunstig is voor hen. Philip Dewinter bijvoorbeeld, die kon door zijn contacten bij de Antwerpse politie altijd in primeur de misdaadcijfers voorstellen. Op een persconferentie, nog voor de burgemeester zelf. Op die manier zette hij de toon, want hij kon selecteren, hij koos de onderwerpen. En hij had nergens gelogen, wel bepaalde zaken niet gezegd. En toch brachten wij dat, want dat was nieuws, de mensen willen dat weten. Zo kan de politicus dus journalisten gebruiken. Maar het is een spel van geven en nemen. Je moet erin staan: door te gaan eten met politici en door met hen te sms’en kom je dingen te weten. Sommigen vinden dat er meer afstand moet zijn, maar zo gaat het nu eenmaal. Mocht ik enkel berichten over persconferenties, dan zouden de mensen heel slecht geïnformeerd zijn. Je moet in het milieu aanwezig zijn. Het is dan ook geen werk voor maagden. Nog zoiets: je moet meeschuiven als de macht verschuift. Als de N-VA in de federale regering komt, is mijn eerste werk mijn contacten met hen verbeteren. Je kan dat opportunisme noemen, maar ik zie geen andere optie.”
Scoop: Zijn uw ambities ingevuld?
Vansevant: “Ja, ik doe wat ik graag doe. Er is geen enkele hiërarchische functie in dit huis die ik ambieer. Daarvoor ben ik geen journalist geworden, wel om de vinger aan de pols van de samenleving te houden.”
Scoop: Ziet u valkuilen voor beginners?
Vansevant: “Iets doen wat je niet wil doen. Of een beperkte vorm van journalistiek. Ik heb het geluk gehad dat ik altijd met inhoudelijke dossiers kon bezig zijn. Ik weet niet of ik mij zou kunnen opladen voor de lichtere journalistiek: ongevallen, het privéleven van politici of bekende mensen, … De vraag is uiteraard: wil je dat doen?”
Scoop: Wat zijn voor u de mooie kanten van uw job?
Vansevenant: “Je werkt niet echt (lacht). Je zit geen hele dagen op een bureau, je hersenen te pijnigen op cijfers. Uiteraard ga ik soms ook met moegepijnigde hersenen naar huis, het nieuws kan echt een rollercoaster zijn. Als een regering valt bijvoorbeeld, lopen er continu nieuwe ontwikkelingen binnen. Ik heb meegemaakt dat ik vijf tot zes keer nieuwe evoluties moest melden. Nu gaan we ook veel live. Maar dan is de tijd zo snel vooruitgegaan én je hebt alles mogen meemaken. Je hebt dus een opwindend beroep. Maar wat wel een valkuil kan zijn: in andere beroepscategorieën kan je meer geld verdienen. Zeker de nieuwe generatie moet erop letten dat ze niet misbruikt worden. Anders zou ik zeggen: neem een echt vak. Wij, de oudere generatie, hebben de vaste benoemingen, maar die zijn er nu niet meer. Zogezegd kan er wel onderhandeld worden over je loon. Maar ik heb nog niemand horen spreken over een superieure onderhandelingspositie: ze maken je goed duidelijk dat je vervangbaar bent.”
“Zelftwijfel is belangrijk, ik kijk nog steeds naar hoe collega’s of de concurrentie het doen”
Scoop: U wordt nu geïnterviewd, dat is omdat Scoop u als een autoriteit ziet. Kan u zich daar in vinden?
Vansevenant: “Je hebt zoveel autoriteit als je laatste bijdrage. Je kan altijd weer afgaan. Als je denkt dat je een autoriteit bent, ben je autoriteit af. Waar je zeker als politiek journalist rekening moet mee houden: denk nooit dat je het zelf uitgevonden hebt. Je bent maar een doorgeefluik. En als jij het niet doet, dan iemand anders wel. Zelftwijfel is belangrijk: ik kijk nog steeds naar hoe collega’s het doen, hoe de concurrentie het doet. Waarom brachten zij dat? Brachten ze dit, omdat ik het andere al bracht? Of volgden ze mijn lijn niet, omdat ze fout was?”
Scoop: Had u een plan B?
Vansevenant: “Daar is eigenlijk nooit reden toe geweest, omdat ik veel heb mogen uitproberen. Het eerste interview van mijn collega’s is nooit uitgezonden. Het mijne wel, omdat mijn eerste interview voor Omroep West-Vlaanderen nooit uitgezonden werd. Dat ik langzaam verschillende stappen kon proberen, gaf zelfvertrouwen.”
Scoop: Is dat dan een tip voor beginners: niet te snel groeien?
Vansevenant: “Ja, probeer zoveel mogelijk te doen. Regionaal correspondent, interviews voor lokale bladen, … Uiteraard had ik wel het geluk dat ik kon terugvallen op mijn onderwijsactiviteiten. Dat is een verschil met nu: vroeger kon je enkel bovenop een universitair diploma nog een jaar pers en voorlichting volgen. Dus had je sowieso nog iets achter de hand, voor mocht het tegenvallen. Dat was misschien wel een voordeel van het oude systeem.”
Scoop: Vindt u de opleidingen journalistiek nuttig?
Vansevenant: “Als de scholen de lat hoog leggen wel. Als de indruk gegeven wordt dat je maar even journalistiek kan gaan doen als de universiteit te moeilijk is, dan zit het fout. Als scholen die fout maken, bewijzen ze de afgestudeerden een heel slechte dienst. Die constante zorg voor kwaliteit is erg belangrijk. Maar ik zie geen probleem. Over de Arteveldehogeschool hoor ik enkel lovend spreken. Meteen een onderscheid tussen universiteit en hogeschool maken, vind ik onnodig en hard.”
Scoop: Hoe definieert u journalistiek talent?
Vansevenant: “Je moet een neus voor nieuwe ontwikkelingen hebben. Zeker voor de nieuwsjagende media. Kranten moeten veel primeurs hebben, die moeten ook meer graven. Wij doen meer aan constante verslaggeving.”
(Nvdr: voor het interview van Marlies, vraag ernaar!)
Geplaatst in Crossmediale shizzle
Een reactie plaatsen




